Overgang naar lagere school Jaarklassen In de lagere school zitten de kinderen in homogene leeftijdsgroepen. Dit maakt het mogelijk de leerstof in de verschillende leerjaren op de ontwikkeling af te stemmen. Periode-onderwijs De algemene vakken worden gebundeld in periodes aan de leerlingen gebracht: Nederlands, Wiskunde, Geschiedenis, Aardrijkskunde... Gedurende enkele weken verdiept men zich met de hele klas intens in een vak, alle dagen van de week gedurende de eerste uren van de dag. Deze aanpak maakt het mogelijk een onderwerp langs verschillende kanten te benaderen en op vele kunstzinnige manieren te verwerken. Nadien is er ruimte voor vaklessen als talen, houtbewerking, tuinbouw, muziek (blokfluit, zang,...), toneel, schilderen, vormtekenen, tekenen, boetseren, lichamelijke opvoeding (spel en sport, toestelturnen, zwemmen), wandelen, euritmie, handwerken naargelang de leeftijd van de kinderen of jongeren. Op deze wijze trachten we vele talenten en mogelijkheden te doen ontkiemen, intellectueel, kunstzinnig en inzake handvaardigheid. Denken als morele opgave Via een innerlijke betrokkenheid op de wereld kan het denken als morele opgave tot rijping worden gebracht. Opvoeding tot vrijheid betekent immers niet: leren om te doen waar je zin in hebt. De vrijheid die wordt beoogd is een innerlijk vermogen om initiatief te nemen en dit vergt scholing. In ons leerplan staan kennis en vaardigheden niet centraal omwille van zichzelf, maar ze staan ten dienste van de ontwikkeling. De ontwikkeling van de lichamelijke, gevoelsmatige en verstandelijke vermogens te stimuleren zodat de ziel en de geest zich erin kunnen uitdrukken, is de hoofdopdracht van het onderwijs. Vakken zoals Taal, Rekenen en Wereldoriëntatie worden zo geoefend dat de beleving van het kind wakker worden gemaakt vanuit de ervaring ‘hoe mooi, wat zit dat alles goed in elkaar’. Willen Steeds uitdrukkelijker wordt de opvoeding van de wil een belangrijke opgave voor wie de toekomstkrachten in de jonge kinderen wil helpen ontwikkelen. Via gewoontevorming, ritme en zelfwerkzaamheid willen we de kinderen sterken om in de eigen wil de motieven voor hun handelen tevoorschijn te halen. In handwerkvakken die tot eigen werkstukken leiden en in de dagelijkse opbouw van het onderwijs wordt de wilsstroom gesterkt en gevoed. De leerkracht De schoonheidservaring die bij kinderen in de lagere school sterk aanwezig is, verloopt op deze leeftijd steeds nog via de volwassenen. Daarom worden geen handboeken als leermiddel gehanteerd, maar gebeurt de overdracht van mens tot mens. De leerkracht dient zichzelf als mens te verbinden met de wereld, moet als mens van de wereld datgene in de klas tot leven brengen dat bij de ontwikkeling van de kinderen aansluit en wel zo dat het enthousiasme om te leren en te oefenen wordt gewekt. Waar de ontwikkeling is belemmerd, zal de leerkracht in de lagere school allerlei middelen kunnen aanwenden om kinderen te helpen aansluiting te vinden. Het zal er voornamelijk om gaan te enthousiasmeren. De vertelstof, de heemkunde, de geschiedenis, plant-, dier- en menskunde, maar ook de spraak, grammatica en rekenwerk zijn evenveel gelegemet hetnheden daartoe. Gezondmaking van het leven Het werken in perioden, waarbij gedurende een aantal weken na elkaar een onderwerp of vakonderdeel kan worden uitgediept, maakt dat de band onderwerp innig kan worden. Het kunstzinnige verwerken van de leerstof en de periode van bezinken die volgt, maken dat de leerstof kan doordringen tot het innerlijk van het kind. De leerstof kan dan gezondmakend werken. Gezondmaking van het leven is ook gedurende de lagere schoolleeftijd een hoofdopgave voor het onderwijs.